Darthuizen

Darthuizen is een buurtschap in de provincie Utrecht, onderdeel van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het was een zelfstandige gemeente t/m 1811. In 1812 ging het over naar gemeente Leersum. In 1818 werd het weer afgesplitst tot zelfstandige gemeente en  per 8-9-1857 ging het definitief over naar gemeente Leersum.


Het voormalige dorp Darthuizen (A) met daarin het buurtschap (B) bij het Rechthuis en de Kapel.

Het dorp Darthuizen wordt in het Aardrijkskundig woordenboek van Abraham Jacob Aa uit 1841 als volgt beschreven.

DARTHĖSE, oude naam van d. Darthuizen, in het Overkwartier de prov. Utrecht. Zie Darthuizen.
DARTHUIZEN, gem. in het Overkwartier der prov. Utrecht, arr. Amersfoort, kant. Rhenen, (1k. d., 7m.k., 4s.d.); palende W. enN. aan Doorn, O. aan Leersum, Z. aan Over-en Neder-Langbroek. Zij bevat de buurs. Darthuizen en eenige verstrooid liggende huizen, onder welke de ridderhofstad Broekhuizen: voorheen stond hier ook nog het, sedert jaren gesloopte, kst. Oud-Broekhuizen. Ze beslaat eene oppervlakte van 455 bund. Telt 37 h. en 220 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw.
De inw., die allen Herv. zijn, behooren tot de gem. van Leersum, waar ook de de kinderen ter school gaan. Deze gem. is eene heerl,. Welke in de laatste helft der vorige eeuw werd bezeten door Mr. Abraham Jacob van der Dussen, Raad in de Vroedschap der stad Utrecht, en thans een eigendom van den Heer van Nellesteyn.
De buurs. Darthuizen, in een oud handschrift van de Utrechtsche kerk Darthese of Derthese genoemd, ligt 3½  u. Z. van Amersfoort, 2½ u. W.N.W. van Rhenen. Oudtijds plagt in deze buurs. eene kapel te staan, waarin eene kapellanij of eeuwigdurende vikarij gesticht was. Van deze kapel waren in het midden der vorige eeuw nog bouwvallen overig, ook was daar eerstijds een ridderhofstad van den zelfden naam. De kermis te Darthuizen valt in den derden Dinsdag in October.
DARTHUIZEN, ook wel eens onder den naam van Derthuysen voorkomende, voorm. Ridderhofstad in het Overkwartier de prov. Utrecht, in de heerl. Darthuizen, het stamhuis van het adell. geslacht van Darthuizen, hetwelk van Otto van Darthuizen, die in het jaar 1580 te Utrecht jammerlijk vormoord werd, schijnt te zijn uitgestorven.
Ter plaatse, waar dit h. gestaan heeft ziet men thans de Darthuizerberg. Zie volgende art.
DARTHUIZERBERG, bergje of heuvel in het Overkwartier der prov. Utrecht, gem. en 15 min. O. van Darthuizen. Op dit bergje, waar vroeger de ridderhofstad Darthuizen stond, ligt thans, tusschen het hooge sparrenbosch een, in den Zwitserschen trant, gebouwd huis uit welks bovenzaal met een verrukkend gezigt over de Veluwe, ja, tot in Noord-Braband heeft.

Bronnen:
1. Proosdij
2. Beuningen
3. Woordenboek
4.

E.J.Demoed geeft de nodige aandacht aan Darthuizen in zijn boek ‘In een lieflijk landschap’.
Thans wil ik u nog iets over de historie van deze buurtschap vertellen, temeer daar wij hier de vroegere meent aantreffen. Reeds op een kaartje uit 1592, wordt ,,de Gemeente” genoemd, waarmee zal worden bedoeld het gemeenschappelijke bouwland van de buurtgenoten. Want ook hier bestond voorheen een markengemeenschap.
Reeds in 1367 is er sprake van een meent, toen de stad Wijk een strook grond kocht voor de aanleg van de reeds besproken (Wijker) Zandweg. In die omgeving troffen wij bovendien het goed Langelaar aan, dat als het goed ,,toe Lingheler tot Derthesen” in 1403 werd beleend aan heer Amelis Uutten Engh (van Zuilenburg).
Op een lijst van de Stichtse leenmannen uit het begin van de vijftiende eeuw blijkt Willem Suermont van Hinderstein eigenaar te zijn van: ,”tgoet to Langeler ende dat bosch dat daertoe hoert”. Dit goed wordt nader gelokaliseerd in een acte van 22 december 1535, waarin sprake is van: “een bouwinge gheheten Langelair, streckende mitten anderen eynde te berchwert op aen de Wijcker Wech”. Genoemd goed zullen wij derhalve moeten zoeken in het bouwland aan de Zandweg, tegenover ,,Het Spijk”.


Gezicht in het dorp Darthuizen. Tekening van Louis Philip Serrurier uit ca.1730, naar een onbekend voorbeeld uit 1639. bron: Het Utrechts Archief

Van de meent is ook sprake in het verbaal van opneming van domeingronden in de provincie Utrecht in 1556 D.III 33) , waarin we enkele posten aantreffen onder het hoofd: “Op die meent bij Darthuysen”. Daaruit blijkt dat met toestemming van Domeinen enkele stukjes woeste grond waren aangemaakt tot bouwland en er bovendien één huis en drie hofsteden werden genoemd. De landbouw is dan ook altijd het kenmerkende element voor Darthuizen geweest. Reeds in 1498 telde men hier honderdtachtig morgen cultuurland; deze oppervlakte heeft sindsdien niet veel verandering ondergaan (in 1808 was er bijvoorbeeld tweehonderd morgen bouwland). Trouwens het gehele beeld van de buurtschap wijst op een zekere rust na de ontwikkeling in de middeleeuwen.
Zelfs het aantal ingezetenen – in 1632 nog zesennegentig – bedroeg in 1789 slechts honderdvierendertig personen boven de tien jaar en vijfenveertig kinderen beneden die leeftijd. Van de gezinshoofden die men toen telde, waren veertien daghuurders en negen landbouwers. De rest werd gevormd door enkele ambachtelijke en vrije beroepen. In 1808, toen de oppervlakte van deze kleine gemeente driehonderdeenenveertig morgen bedroeg, trof men hier tachtig morgen heide en zandgrond aan (in hoofdzaak het deel tussen de kern van de buurtschap en de grote heerweg), alsmede tweehonderd morgen cultuurgrond, waarop in hoofdzaak rogge en boekweit werden verbouwd.
Daarnaast waren nog elf morgen weideland en vijftig morgen bosgrond. De aanwezigheid van de grote heide ten noorden van de heerweg bepaalde het soort en het aantal stuks vee, want men telde hier toen niet minder dan achthonderd schapen, tegen slechts zevenendertig paarden en honderdvierendertig koeien. Hoe klein de buurtschap ook was, men hield er niettemin jaarlijks kermis, waarvan het tijdstip in 1165 door de Staten van Utrecht was vastgesteld op de eerste dinsdag na 10 oktober. In feite heeft men dit feest altijd op de derde dinsdag in oktober gevierd. 2)

Het grensconflict 1
Een eindweegs voorbij Valkenheide passeren wij de grens met de gemeente Leersum, hetgeen aanleiding is om iets te vertellen over de begrenzing met de voormalige gemeente Darthuizen.
Toen het bestuur van laatstgenoemde gemeente in februari 1819 de grenzen door een landmeter liet uitzetten, bleek de heer van Maarsbergen grenspalen te hebben gezet op een gebied, dat geacht werd tot Darthuizen te behoren. Want “die van Darthuizen” hadden reeds vanouds aldaar de schapendrift gehad tot aan de heuvel, sinds vroeger bekend als de Bosjesberg. Deze door hen bedoelde grens was volgens het gerechtsboek van Darthuizen in mei 1779 in overleg met de heer van Maarsbergen vastgesteld. Hierbij zij nog opgemerkt dat van het goed Valkeneng in 1491 wordt gezegd dat het behoorde “onder de gerechte van Derthese”. De Darthuizers namen dan ook de grensbepaling door de heer van Maarsbergen niet. Een gesprek met hem had geen resultaat, evenmin als een bemiddeling van de gouverneur der provincie. Tenslotte werd de zaak aan de kroon voorgelegd, waarna bij koninklijk besluit van 4 november 1819 de huidige grens werd vastgesteld. 2)

Het grensconflict 2
Cathrinus Blankenstijn beschrijft dit conflict in zijn boek ‘Hoet was in Darthuizen’.
Ter illustratie van dit gebeuren, citeren wij nu enkele gedeelten uit de handelingen van de gemeenteraad van Darthuizen van 12 februari 1819. Daarin rapporteren de schout Dirk de  Ridder en het gemeenteraadslid Wouter van Swieten over de afgrenzing van de gemeente. Zij hebben aan ‘denfungerende delimitateur naar derselver beste weeten’ de vereiste informatie gegeven. Zij rapporteren over de grensafbakening als volgt:
… de grens, zoo dezelve van oude tijden is gehouden te zijn, als strekkende uijt den warande van Broekhuizen, noordwaarts langs de limieten van Leersum, (alwaar die scheidinge door van ouds gegraven kuijlen is bepaald) tot aan de gemeente van Maarsbergen toe, alwaar ter plaatse daar de laatste kuijl bevonden is, eene Baak is gesteld, gaande als dan de scheidinge van daar Westwaarts in eenen dwarslijn door de aangelegde Bosschen van den Huize Maarsbergen tot aan de Gemeente Doorn, dat zij echter als toen hebben vernomen, dat den tegenwoordige eigenaar van Maarsbergen susteneerd dat een groot gedeelte van de Heide gemeenleggende tusschen beide gemeenten tot zijne goederen zouden behooren, en dus, het sustenu van gemelde eigenaar doorgaande, dese gemeente een voornaam gedeelte van derselver onontbeerlijke Schapendrift zoude komen te missen. 5)