Leersum, de gemeente

Naast ‘s Rijks Domeinen is ook de Gemeente beheerder van gronden die woest en ledig zijn. In dit geval waren dat de heideterreinen op de flanken van de Heuvelrug. Verder betreft het de voormalige veenontginningen met opzichterhuis, grote doorgaande wegen als Rijksstraatweg, Boerenbuurt, Ameromgerwetering, Kerkweg en Scherpenzeelseweg. Aan deze laatste weg is het kerkhof wat valt onder de verantwoordelijkheid van de Gemeente.

A.F. Bakker schrijft er het nodige over in zijn boek ‘800 jaar Maarsbergen’ 7)
De Plassen
In 1771 begon men in dit , ‘Leersumse Veld’ uit de laaggelegen moerassen turf te baggeren. Aart Sukkel was de eerste baggerman. Hij gebruikte een baggerschuit, die hij in Overlangbroek gekocht had. Na Sukkel kwamen meerdere baggeraars, o.a. Toon Veenhof  (1791), Melchior van Ginkel (1794), Geurt Brandsen (1803), Pieter Paulus (1809). Uit 1775 zijn zelfs twee baggeraarsters bekend: Cornelia Jansdochter en Jantje Jacobsdochter. Het resultaat van dit baggeren kennen wij nu nog als de Leersumse Plassen. Het bovengenoemde Leersumse Veld zette zich in Noordelijke richting voort in de Maarsbergse Heide, het gebied waar eerlang ,’Valkenheide’ zal verrijzen. Maar we zijn nu nog omstreeks 1700 en dan is dit gebied nog een uitgestrekte, woeste  vlakte. Grote stukken buntgras, (in van Dale’s groot woordenboek der Nederlandse taal, is buntgras een grassoort, die de schraalste grond voor lief neemt, en gaarne door schapen gegeten wordt. Het is een overblijvend gras in dichte zoden met bundelsgewijs staande, ruwe bladen. Het is door haar holle stengels altijd een prachtige en doelmatige dakbedekking geweest, vooral daar in die streken waar geen riet aanwezig was. Honderden krotten en plaggenhutten zijn met dit buntgras van een doelmatig dak voorzien, wisselden af met velden struik-en dopheide, waartussen zich grote plassen bevinden. Dagelijks weidden hier een duizend schapen, Een van die plassen, ‘de Kom’, die nog bestaat, werd gebruikt als wasplaats voor de schapen, omdat ze helder water bevatte en een harde zand- grintbodem had. De wol van de schapen ging naar de wol-,,fabrieken” in het naburige Veenendaal. De Kom was ook een geschikt jachtgebied, daar grote vluchten eenden erin neerstreken. Vanachter langs de oever opgezette rietmatten kon men die eenden gemakkelijk onder schot nemen. Van oudsher tot op heden is er een sterke binding geweest tussen de Maarsbergse heide en haar omwonende boeren, In oude acten en historiën en ook in kerkelijke archieven komt men veel de thans nog bestaande familienamen tegen, zoals bijvoorbeeld de Blaauwendraads.

Verdeling heide en belastingen
Wij lezen over één van de onenigheden het volgende. De belaagden betoogden, dat een aantal schapen geschut  was op last van het stedelijk bestuur van Amersfoort en dat zij die dieren niet terug wilden geven, niettegenstaande daarvoor zelfs een tegemoetkoming was aangeboden. Maar de belaagden lieten heel duidelijk doorschemeren, dat als er geen verandering in deze toestand werd gebracht, zij niet langer hun paardengeld op zouden brengen. (Paardengeld, is het geld voor het verrichten van spandiensten van kar en paard, na de  15e eeuw in onbruik geraakt, want na die tijd werd er geen melding meer van gemaakt in de bisschoppelijke rekeningen en andere stukken. Er was toen een andere verplichting voor in de plaats gekomen, namelijk, dat elke hoeve belast werd met een grondrente van 4 gulden per jaar. Zij wilden dus nu niet die grondrente van 4 gulden per jaar betalen. Ook verteld en zij, dat zij dan ook niet meer genegen waren koren en zandhamelen op te brengen. Zij verzochten daarom het Hof, aan de regering der stad Amersfoort aan te bevelen de schapen terug te geven. Blijkens nadere acten is overeengekomen, dat men overeenkomstig het verzoek handelde. Aan de stad Amersfoort werd gelast op verbeurte van boete, de schapen tegen het stellen van behoorlijke zekerheid aan hun eigenaren terug te geven. Zonder zich eigenaars van de grond te noemen, plachten de Bisschoppen in de middeleeuwen er toch op verschillende wijzen enig voordeel van te trekken. Als een soort tegemoetkoming voor het weiden van hun schapen op de heidegronden, lieten zij de dorpsgenoten de zogenoemde zandhamelen opbrengen. Het was een heffing, die hieruit bestond dat de Bisschop van iedere 50 weidende schapen één hamel kreeg, terwijl voor 25 schapen een ramlam aan hem moest worden opgebracht. In de 14e eeuw treft men zelfs al rekeningen aan, waarin de naam van zandhamelen voorkomt. Het recht op deze zandhamelen moet beschouwd worden als een uitvloeisel van de verplichting deze aan de Bisschop te leveren. Een zandhamel is een ontmand, mannelijk schaap, ongeveer twee jaar oud. Daar de Bisschop niet graag erg vet schapenvlees at, moest het een zandhamel zijn, dus een ram grootgebracht op de zandgrond, omdat een ram hierop niet vet kan worden! Ook ontstond er vaak onenigheid omdat sommige bewoners zich schuldig maakten aan ‘aangraven’.
Zij trachtten hun bouwlanden te vergroten en te vermeerderen ten koste van de gemeenschappelijke heide. Volgens een acte van 8 augustus 1595 hadden juffrouw Van Amerongen en haar zoon en ook anderen zich aan dergelijke handelingen schuldig gemaakt. Om hiertegen op te kunnen treden, stelden de geërfden van 26 hofsteden een commissie in, bestaande uit 5 personen uit hun midden gekozen. Deze zouden voortaan langs minnelijke weg en zo nodig met rechtelijke hulp optreden tegen degenen die zich schuldig maakten aan aangraven.
Naar het schijnt was deze kwaal niet nieuw. Merkten de schutters een overtreding, dan moesten zij in zo’n geval het vee schutten. Zij behoefden de dieren niet terug te geven, alvorens de boete à drie stuivers per schaap zou zijn voldaan. Had de voldoening der boete niet plaats binnen drie dagen, dan mochten de schutters een schaap of een ander stuk vee verkopen, ten einde uit de opbrengst daarvan de boete en de kosten te verhalen. Het overblijvende geld, benevens de overige dieren, …..

Leersumse gemeenschappelijke heide
Ook Leersum had zijn gemeenschappelijke heide. Een acte van 18 juli 1563 geeft een beeld van deze grote uitgestrektheid, die begon nabij de Gooierwetering en zich vandaar noordwaarts uitstrekte en de gehele Leersumse Berg omvatte. Verderop, zoals U zult zien, omvatte de ,’ heide of meent’ ook nog gronden aan de andere zijde van de Leersumse Berg. Hoewel over meent gesproken wordt als over lager gelegen gebied, is het hier een uitzondering, daar hier juist hoger gelegen gronden aangetroffen worden. Een stuk van de gemeenschappelijke gronden komt onder de naam van bunt voor of nog beter de gemene bunt. Tot in het jaar 1859 bleven deze gronden eigendom van de gemeente Leersum. Zij werden al eeuwen, tot op die tijd, evenals voorheen, door de ingezetenen van Leersum voornamelijk gebruikt voor weiden van schapen en het steken van brand- of strooiplaggen.
Een potstal is o.a. een schaapskooi, waarin des nachts de schapen werden ondergebracht voor het verzamelen van hun mest. Deze mest,  vermengd met heidenplaggen, was vroeger de enige manier om wat vruchtbaarheid in de akkers aan te brengen.
Door de Gemeenteraad aan, Leersum  werd op 25 januari 1858 besloten tot verkoop van een zeer groot gedeelte van deze gronden over te gaan. Gedeputeerde Staten keurden dit besluit goed. In totaal werden verkocht 570 bunder grond, waarvan 540 bunder heide, 17 bunder bouwland  en 11 bunder dennenbos. De Gemeenteraad schatte de opbrengst op 25.000 gulden. Bij elkaar brachten de kavels 36.350 gulden op. De verdeling in kavels van de voormalige markegronden is geschied in het belang der eigenaren van de grote boerenhofsteden. Op deze wijze was het mogelijk, dat elke eigenaar van een hofstede een voor hem geschikt perceel kon krijgen. In ieder geval het stuk wat het dichtst bij zijn boerderij was gelegen. De kleine boeren moesten zo het genot dat zij en hun voorzaten vanouds van deze gronden hadden gehad, missen. Deze rechten werden hun eenvoudigweg ontnomen, zonder enige schadevergoeding. Na deze verkoop had de gemeente Leersum nog in eigendom een woest stuk grond, groot 80 ha. Dit droeg de naam van de Leersumse waterplassen. Het was een laag gelegen veenachtig heideveld. De gemeente gebruikte dit gebied om er turf te laten baggeren. Deze turf werd in de nazomer gedroogd en in de winter in gelijke hoeveelheden verkocht. Toen het baggeren afgelopen was, verkocht de Gemeente dit in een acte als het Leersumse Veld voor 20.000 gulden ten overstaan van Notaris P. A. Lans te Utrecht. De heer Verloop was de koper.


M.C. Verloop en het Leersumse veld
In 1911 kocht de rijke heer M.C. Verloop het Leersumse veld voor een bedrag van twintig duizend gulden. Het gebied wat hij kocht was 80 hectare groot en bestond uit de drie plassen en de omliggende gronden. De familie Verloop woonde in Hilversum maar de afstand naar Leersum was voor hen echter geen probleem omdat meneer Verloop een van de eerste automobielen in bezit had. Het Leersumse veld was echt een aankoop voor het plezier, een speelplek voor de kinderen. Van de eerste plas werd een zwembad gegraven en er werden ook kanaaltjes gegraven waar de kinderen konden kanoën. In de omgeving van deze cache kan je de restanten nog zien van een dergelijk kanaaltje. Het is nu niet veel meer dan een diepe greppel in het bos. Omdat de familie Verloop een zwembad heeft gegraven in deze plas is de harde bodemlaag beschadigd en is de plas nu “lek”. Op de foto van 1937 is te zien hoe de kinderen kanoën op de kanaaltjes. (bron ?)

Bezittingen van de Gemeente: