Voedsel

Landbouw
Volgens een enquéte die in 1815 door het toenmalige Departement van Oorlog werd gehouden onder alle Utrechtse gemeentebesturen, wordt in dat jaar maar liefst 85% van het bouwland in de gemeente Leersum (met inbegrip van Darthuizen) gebruikt voor de de teelt van boekweit.
Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie en dus geen graan! De zaden heten grutten. De verbouw van boekweit is altijd nauw verbonden geweest met de bijenhouderij. Boekweit is namelijk niet alleen een zeer honingrijke plant, maar bovendien zijn de opbrengsten in de boekweitteelt in sterke mate afhankelijk van de mate waarin bijen voor kruisbestuiving kunnen zorgen.
De overige 15% van het landbouwareaal wordt ingezaaid met voornamelijk rogge en daarnaast nog wat haver en gerst 1). Deze landbouwproducten vormen het weinig gevarieerde voedsel voor mens én dier. Op bescheiden wijze wordt er ook nog wat tabak geteeld op de Boveneng. In 1824 zijn er volgens de OAT’s 132 huizen. Bij ruim de helft n.l. 78 huizen is een tuin, waar o.a. groentes verbouwd worden voor eigen gebruik. Daarnaast hebben de meeste mensen, in welke beroepsgroep dan ook, een akker bij huis.

In 1900 zien we een totaal ander beeld. De rogge heeft de overhand gekregen met 64% tegenover de boekweit met 16%. Ook zijn er andere producten bijgekomen zoals te zien is op de onderstaande figuur.

De aardappel is in opkomst. Al sinds de 16e eeuw is de aardappel geïntroduceerd in Nederland. De boeren stonden aanvankelijk weigerachtig tegenover een plant waarvan de stengels en bessen giftig zijn en ze dachten dat de knollen ook ongezond zouden zijn.
In deze tijd werd de aardappel voornamelijk gezien als varkensvoer of voedsel voor de allerarmsten. Pas in 1727 werd de aardappel, voor het eerst in Friesland, als voedsel erkend. Langzamerhand kreeg de aardappel toch steeds meer de rol van volksvoedsel en in de 18e eeuw werd de aardappel in alle Europese landen verbouwd.

f120_scherpenzeelsewegriot
Een akker aan de Scherpenzeelseweg met boekweit en daarachter schoven met rogge.
collectie Hans van Brenk

Spurrie werd vroeger veel verbouwd op arme zandgrond voor veevoer. Rond 1900 werd het als stoppelgewas verbouwd, vaak na rogge. Spurrie wordt ook gebruikt bij het zaaien van gras. Wanneer er op een winderige plaats gezaaid moet worden, of wanneer de grond gaat stuiven kan het graszaad vermengd worden met spurriezaad, 100 g per are. Omdat spurrie heel snel kiemt, houdt het verstuiven tegen en geeft langzaam groeiende grassen beschutting.
De graanteelt is na de Tweede Wereldoorlog grotendeels verdwenen, om plaats te maken voor de verbouw van mais ten behoeve van het vee.

Veeteelt
In 1800 telde de gemeente geen varkens, 2000 schapen, 335 runderen en 91 paarden.
In de enquéte van 1815 wordt vermeld dat: De koeyen en varkens worden niet uitgevoerd. Schapen 2 à 300. Kortom, de varkens en koeien zijn voor eigen gebruik en de aanwas aan schapen is voor de handel. In vergelijking met 1800 ziet het plaatje er als volgt uit.

In de periode na 1900 is de akkerbouw in de gemeente Leersum drastisch teruggelopen
ten gunste van de rundvee- en de varkenshouderij.